www.worldshots.nl

Reisverslag van een fietstocht door de Himalaya van Lhasa in Tibet naar Kathmandu in Nepal ,1994
Tibet is gelegen op een plateau op een hoogte van gemiddeld zo'n vier en een halve kilometer. Er zijn bergen, alleen niet zo hoog en grillig dan de Himalaya's. De meeste bergen zijn kaal en bruin, weliswaar wel in een brede schakering bruine tinten. De uitschieters boven de zes kilometer hebben een kleine hoeveelheid sneeuw op hun top. Lhasa ligt in een relatief dal, 3680 meter. Vrij laag dus, maar hoog genoeg om te moeten acclimatiseren, ook al komen we net van de Annapurnatrek in Nepal (max 5400 meter). Je voelt je in het begin wat zweverig, moe en loom en bent genoodzaakt om rustig aan te doen. Maar pas op! Serieuse hoogteziekte kan dodelijk zijn!

De vlucht naar Lhasa was werkelijk schitterend. Dwars over de machtige Himalaya, vliegend op de zelfde hoogte als de Mount Everest, de hoogste berg ter wereld. We vliegen er dan ook met een wijde boog omheen. We hadden allebei een stoel bij het raam aan de linkerkant gereserveerd, achter de vleugel. Zeer de moeite waard. Toen we eenmaal de Himalaya waren gepasseerd, veranderde het landschap onder ons drastisch, bruin, doorsneden door knalblauwe riviertjes, hier en daar een spoortje van beschaving; wat groene veldjes, een paadje of een piepklein dorpje.


Na een dag of vijf in Lhasa en omgeving om te wennen en te orienteren, gaan we dan serieus op zoek naar de mogelijkheden om terug te fietsen naar Kathmandu. Na veel zoeken en vragen vinden we eindelijk het PSB (security buro) De man achter de balie spreekt heel slecht Engels, wij nog slechter Chinees. Hij kan het een en ander vertellen over de regeltjes, wat officieel wel en wat niet mag. Hij houdt zich hier ook strikt aan. Voor meer info naar een reisbureautje gegaan. Ook zij kenden de regeltjes, maar weten ook dat die nergens stipt nageleefd of gecontroleerd worden. Officieus kan dus heel veel. Dat is goed nieuws! Ook een license (registratie met kenteken) voor de fiets is niet nodig zoals in de rest van China.(Let op, dit kan anno 2000 wel heel anders zijn!) De weg ligt voor ons open.
Bij de fietsenwinkel lopen we ook tegen een flinke taalbarriere aan. Het onderhandelen kost ons bijna een dag, tussendoor even eten, want weglopen helpt nog wel eens het proces te versnellen. Met tekeningen en gebarentaal maak ik ze duidelijk wat voor reserveonderdelen we er bij moeten hebben en wat voor reparaties en montages er uitgevoerd moesten worden. En zo komen we uiteindelijk voor zo'n f525,- weer naar buiten als eigenaars van de twee duurste mountainbikes, 15 versnellingen en een leuk mandje voorop. Reserveonderdelen en een loodzware gietijzeren fietspomp (bij gebrek aan handpompjes). Bij de eerste proefrit verloren we al bijna een compleet spatbord, dus nog weer even terug om de fietsenmakers te wijzen op hun verantwoordelijkheden... In Nepal hadden we al muesli en chocola en pinda's gekocht en in Lhasa struinen we de markt af naar groenten en rijst en tsampa (gerstemeel, het volksvoedsel). We kopen een pannetje en een flinke lap canvas zeil, wat o.a. dienst moet doen als tent. We eten s'avonds de laatste beruchte cheese-cake bij Tashi's en nemen afscheid van alle bekenden.

En zo werd het 2e pinksterdag, 23 mei 1994, de start van onze Tibet-expeditie. De fietsen opgeladen, een flink gewicht, nogal instabiel ook wegens het ontbreken van fietstassen. De rugzakken hebben we overdwars op de bagagedragers gebonden met de spanbanden die we van China Airlines hadden gekregen. De handbagage in het mandje voorop. Stilstaand heb ik moeite om de weerspannige fiets overeind te houden. Het eerste gedeelte is nog verhard, dit is de weg naar het vliegveld. De rest van de Tibetaanse Highway zou voornamelijk onverharde zijn, iets wat wij toen nog niet wisten. Heel veel Chinese militaire vrachtauto's op de weg en heel veel stukgegooide bierflesjes. Maar desondanks is de eerste dag geen tegenvaller. Met veel gebarentaal een hotel gevonden. Gewoon met de familie meeeten in de keuken. Ze zagen in ons dagboek foto's van de Jungle Book film waar wij in gefigureerd hadden, en zo moesten wij de Weense wals demonstreren, ditmaal niet in een Indiaas fort en gekleed in koloniale kostuums, maar in een zwartgeblakerd keukentje in je reizigerskloffie.
Op het moment dat de verharde weg overging in een met stenen verhard pad, begon de weg ook te stijgen. Dit wordt zwaar, zo tussen de stenen door manoeuvreren, het kleinste verzet is nog niet klein genoeg, vrachtwagens rijden af en aan, enorme stofwolken meenemend. Na zo'n drie kilometer omhoogploeteren zijn we al een inzinking nabij. We besluiten te gaan liften en al snel stopt er een truck. Wij en de fietsen in de open laadbak. Het hobbelt enorm, de eerste krassen in de lak van de fiets en alles en iedereen grijs van het stof.
De chauffeurs vragen niet eens een geldelijke bijdrage als we na zo'n dertig kilometer eenmaal op de top van de pas staan. Wel schieten ze zowat een filmrolletje foto's vol van alle mogelijke combinaties die je met vier personen kunt maken. Een geweldig uitzicht op het turqoise meer Yamdrok Yutso, witbesneeuwde bergen erachter en op de top zelf gestapelde stenen en wapperende gebedsvlaggetjes. Dan komt de reuzenafdaling, waarbij we geleidelijk aan steeds meer schroefjes en moertjes verliezen. Spatborden rammelen en de mandjes voorop raken los. Dit geeft duidelijk blijk van Chinese kwaliteit. Een bos touw doet wonderen, en een spijker die ik toevallig in mijn broekzak had houdt kromgebogen de bagagedrager op zijn plek. Even later pakken donkere wolken zich samen en verjagen de blauwe lucht. Het wordt gelijk koud. Het begint zelfs te onweren. We pauzeren om een tweede inzinking te voorkomen. We eten wat, de zon komt al weer terug en we blijken precies voor de ingang van een tweepersoons grot te zitten. Dit wordt ons bivak. Het tentzeil wordt grondzeil, de ingang stapelen we wat dicht met stenen. Ik ga hout sprokkelen, maar dat valt niet mee, zo ver boven de boomgrens. Ik kom niet verder dan een bos hooi. Het duurt vreselijk lang voordat het eten klaar is. Snelkookrijst bestaat hier tenslotte niet. Alles ruikt naar rook en het eten smaakt er naar. Wassen en afwassen in het ijskoude meer. Dan nestelen we ons in de grot. De fietsen beschermen we met een touwtje die tussen de dichtgestapelde ingang doorloopt met aan het eind de aluminium pan vastgeknoopt. Zo zullen we altijd door het gerammel gewekt worden als iemand onze fietsen durft te beroeren.
De volgende ochtend een grondige fietsinspectie. Alle schroefjes weer goed vastgedraaid en alles weer stevig vastgebonden. De weg naar het dertig kilometer verder gelegen Nagarze is bar slecht. Type wasbord met in de bermen losse kiezels, maar de route is schitterend. Het turqoise meer, de groene vlaktes, wit bepoederde bergen en heldere luchten. We passeren twee piepkleine chortens (tempeltjes) waar uit het niets verschenen mensen kloksgewijs omheenlopen. Draaiend met hun gebedsmolens en rollend met hun kralenkettingen. In Nagarze vinde we een hotel en restauarant. Twee mannen helpen ons gedienstig met afladen, later waren we wel onze veldfles kwijt. Er staat alleen thukpa op het menu, dat is het tweede en tevens laatste volksgerecht, noodle-soup. Er is zelfs een terras met een biljarttafel. Ga je normaal op een terras zitten om mensen te kijken, hier is het net andersom, hier word je bekeken. Zo ongeveer het hele dorp heeft zijn hoofd over het lemen muurtje gestoken om ons te bewonderen. Ook op de hotelkamer geen enkele privacy. Glurende hoofden voor de ramen, en constant komen er zo maar mensen binnenvallen. Om een uur of tien wordt de kamer naast ons bezet door ongeveer acht luidruchtige Tibetanen. De kartonnen muurtjes zijn nog niet eens het ergste, ze moeten steeds door onze kamer naar die van hun, en ze blijven maar heen en weer lopen. Ook niet zo'n veilig idee, maar er bestaat hier gelukkig geen criminaliteit (maar ze denken gewoon dat alles voor iedereen is). Sloten op de deuren zijn veelal onbekend.
De volgende dag staat ons een pas te wachten van 5200 meter. Het begint met een lange rechte weg die loodrecht op de bergen afgaat met constant vals plat. Tot op het laatst houdt hij geheim op wat voor manier hij die schijnbaar massieve bergen door wil. Op het laatst buigt hij toch rechtsaf. Wegens gebrek aan verkeer is liften geen optie meer. Door de merkbaar ijler wordende lucht, moeten we uiteindelijk om de paar honderd meter rusten. Gemiddelde snelheid 3 km/u! Loodzwaar, maar we redden het. Daar hangen eindelijk dan weer de gebedsvlaggetjes te wapperen, met er achter een schitterende gletscher in een verschrikkelijk verlaten landschap. Naar beneden schiet eens lekker op. Kilometerpaaltjes schieten voorbij, maar soms met tegenwind of plotselinge stijging soms nog wel even vermoeiend. We volgen, samen met de weg, de loop van een rivier, die weet het beste de weg tussen de bergen door te vinden. Opeens wijkt de weg en gaat weer stijl omhoog. Hier ben ik het niet mee eens en ga op onderzoek uit. Er ligt een uitgesleten boomstam als brug over de rivier, die gaan we over. We volgen een heel klein paadje, moeten weer de rivier over,maar dan zonder brug. Schoenen uit, broek omhoog en door het steenkoude water, daarna nog twee keer hetzelfde ritueel en dan zitten we nog aan de verkeerde kant van de rivier op een slecht pad. Uiteindelijk zien we een brug in de verte, waarna we weer op de oude weg uitkomen.(Momenteel is dit stuk weg een heel groot stuwmeer geworden) We dalen gestaag, maar met harde tegenwind wat het voordeel van het dalen doet verdwijnen. We komen door kleine dorpjes, waar de kleine kinderen zowat onder je fiets springen, "bye bye" roepen en hun vieze handjes ophouden. In het kader van wegverbetering zijn er vrachtwagenladingen losse kiezelstenen op de weg gestort. Dat betekent voor ons hele stukken lopen, en de zware fiets door de losse stenen heen duwen. Om negen uur s'avonds arriveren we eindelijk in Gyantse. Het is al bijna donker. Twaalf uur gefietst over honderd kilometer. Twee dagen rust.
Maar niet s'nachts. Zijn het geen vrachtwagenchaufeurs, dan zijn het wel jankende honden of vervormende luidsprekers ten teken dat er inpandig een film wordt gedraaid. Wat een onpasselijke herrie overal in zo een dunbevolkt land! Gyantse is een mooi schilderachtig Tibetaans dorpje. De vergelijking met een vooroorlogs plaatje van een willekeurig stadje in Nederland is groot. Overal paard en wagens op de straat van grote platte stenen. De mensen allemaal in klederdracht; vrouwen een schortje voor en vlechten in het haar, de mannen in het zwart met zilveren bies en een fraaie hoed op.
We genieten even aan de overdaad aan Chinees voedsel en gaan dan ook drie keer per dag uit eten om weer genoeg energie op te doen voor de volgende etappes. We kunnen enkele schroefjes hier nieuw kopen, maar de kromme spijker moet blijven en mijn spatbord moet ik vastzetten met een schroefje die ik van mijn fietstoetertje heb gehaald. Op naar Shigatse, een dag fietsen, na Lhasa de grootste stad van Tibet (40.000 inw.) Redelijke weg, windje in de rug en lekker vlak, langs een rivier. Hier groeien bomen en is er dus hout voor een vuurtje om eten te koken. Later wordt de weg weer slecht en draait de wind weer. Je fietst door op karakter, telt de kilometerpaaltjes die maar niet opschieten, je krijgt een zere kont en een slecht humeur. Als we even stoppen, stopt er ook een Jeep. Onze kennissen uit Lhasa! Ze bieden aan om onze bagage mee te nemen. Dat slaan we niet af, dat scheelt enorm. Voor het eerst halen we opeens de 15 km/u. Met geleende valse Chinese studentenkaarten zijn we met korting naar het Tashilhunpo klooster geweest. Een van de weinige kloosters die tijdens de culturele revolutie niet is verwoest. De Panchen Lama, die hier gezeteld was, had ooit nogal sterke banden met China. Vier tempels met gouden daken die schitteren in de zon. Binnenin ook een ogenschijnlijke rijkdom. Gelukkig wordt het klooster weer bevolkt door jonge monnikjes in opleiding, al schijnt dit wel streng gereguleerd te worden door de Chinezen.
Dan wordt het weer tijd om de fietsen ter hand te nemen. We vertrekken samen met een Duitser die de tocht wil volbrengen op een oerdegelijk oud stalen ros zonder versnellingen. Dat gaat hem ook nog aardig lukken ook, blijkt later. Weer vanouds een slechte weg, beklimmingen en de eeuwige in de namiddag opstekende tegenwind. Vaak heb je het moeilijk met jezelf, niet pratend, ieder zijn/haar eigen tempo, buiten adem, de ogen gefixeerd op de weg voor je. Slopend! En dan ook nog remmen en afstappen als er een stuk hout of gedroogde mest op de weg ligt voor brandstof om op te koken.
Maar altijd zit het ook weer mee na moeilijke momenten. Op zoek naar een plek om te overnachten stuit ik op een verscholen bouwval. Met het zeil een dak over de muren geimproviseerd, als beschutting tegen neerslag en de koude wind. We zitten weer behoorlijk hoog, de volgende dag kan de top niet ver meer zijn. Vanaf de top steil omlaag, verkrampte vingers van het remmen. Overal waar we ook maar even stoppen, verschijnen mensen uit het niets. Meestal herders en kinderen die met hun langharige schapen en geiten de valleien rondzwerven. Soms uit nieuwsgierigheid en groetend door de tong uit te steken, maar vaak om te kijken of wij iets bij ons hebben wat zij wel kunnen gebruiken, bedelend met twee omhooggestoken duimen. Terwijl wij bijna uitgeput in Lhaze aankwamen zat de Duitser met zijn ordinaire fiets al uitgebreid te tafelen en hij wil dezelfde dag nog een stukje verder. Wij zoeken een hotel. Tegen alle principes in een Chinese dit keer, wel schoner en comfortabeler. Het hele dorp doorgelopen om een scheutje olie voor de knarsende fietskettingen, wat verse lucht in de banden en we kunnen weer verder. Weer een pas van 5200 meter. Eerst wat kleren gewassen met water uit een modderriviertje die hier over de straat stroomt. De meeste dorpen beschikken niet over waterleiding. Soms staat er een pomp op het dorpsplein, alwaar je je s'ochtends kunt wassen. De toiletten zijn helemaal een aanfluiting. Er komt geen water aan te pas. Je mag je behoefte op een glijbaantje deponeren, waarna het in een gat glijdt, als het meezit, of gewoon naar de andere kant van het muurtje, buiten dus. Er gingen toen al geruchten over een toerist die het verschil tussen een toilet en een beerput niet zag, en er gewoon inliep, in die beerput dus, kopje onder...
Een hele dag continu omhooggeploeterd, op weg naar de top, acht uur lang. Frustrerend als een Tibetaanse Kampa doodgemoedereerd met je mee kuiert, terwijl we hijgend over het stuur hangen. We trekken het niet meer en besluiten om op een hoogte van vijf kilometer te gaan kamperen. Geen beschutting van een grot of ruine, alleen een bultje stenen. We bouwen een soort tentje, waarbij de fietspomp als tentstok dient. Dan komen er opeens twee Zwitsers op hun fietsen de berg afgescheurd. Volgens hun is het niet ver meer naar de top, zo'n vier kilometer. Dat is goed nieuws, maar vandaag niet meer, we hebben het gehad. Het beekje voor onze tent is gedeeltelijk bedekt met sneeuw en ijs. Gelukkig hebben we in Nepal warme truien, mutsen en handschoenen gekocht. De truien doen ook dienst als matras, ons tweede luchtbedje is al lang geleden gesneuveld. s'Ochtends, als de zon weer boven de bergen uitkomt, wordt het weer snel aangenaam warm. We voelen ons net reptielen die door de zon opgewarmd moeten worden, voordat er enige vorm van activiteit plaatsvindt. Het water in de veldfles is bevroren, maar we maken er toch een heerlijke rijstpudding van.
De top was inderdaad niet ver meer. De gebedsvlaggen hangen er wat sneu bij, zwartgeblakerd doordat ze in brand zijn gestoken. De weg omlaag is weer hobbelend en stuiterend een weg zoeken. Volgens de Zwitsers was er een hotel bij de Chinese contolepost. In het hol van de leeuw! Met grote vraagtekens boven hun hoofden staan ze in onze paspoorten te loeren, maar we zijn welkom. We kunnen er nog eten ook, dat doen we dan ook een paar keer achterelkaar.
Hiervandaan is het heerlijk fietsen alsof het een zondagmiddag betreft, al krijgen we nog een licht sneeuwbuitje over ons heen. Een aangenaam windje in de rug voert ons door een bizar maanlandschap, woest kaal en verlaten. We stopten in een dorpje, waarvan de meeste inwoners al snel in een kring om ons heen stonden, ons aanstarend, lachend en alle ritsen opentrekkend. De kinderen waren minder aardig. Door sommigen werden we bij ons vertrek met stenen bekogeld. Ook minder aangenaam was de ontmoeting met twee enorme valse honden, die luid blaffend achter ons aan kwamen en het (gelukkig) op de bagage hadden voorzien in plaats van onze benen. We hebben nog nooit zo hard gefietst. Vroeg in de middag arriveerden we in Tingri. Een stoffig hotelkamertje, met bestempeld rose doek als behang. Tingri ligt in een uitgestrekte vallei. In de verte kunnen we de besneeuwde bergtoppen van de Himalaya al zien. Ook de bijna sneeuwloze top van de Mount Everest. In het dorp loopt de hele bevolking met een schaaltje rond naar een plaats waar in enorme ketels op een houtvuur pap wordt bereid. Centrale voedselvoorziening en toch laten de kinderen het niet na om bij ons te gaan bedelen. Ook laten ouderen het niet na om even hun handje op te houden als je net iets hebt gekocht of je beurs trekt om iets te betalen. Je kunt het altijd proberen, nietwaar? In de zon is het te heet, in de kamer is het te koud, we weten niet goed wat te doen. Even later steekt er een enorme stofstorm op, dus toch maar de kamer in.
De wind waaide niet zo hard, de weg was niet zo slecht, en zo toerden we rustig verder. Toen kwamen we Robert tegen, een fietser uit Engeland. De fietsen in de berm geparkeerd en zo'n anderhalf uur zitten praten aan de kant van de weg. Achteraf zonde van de tijd, want s'middags steekt de wind weer op en doet het tempo sterk verzwakken en is fietsen ook opeens niet leuk meer. We vinden een overnachtingsplaats in een kloof van enkele meters breed. De fietsen en bagage een eind omhoog gesleept. Het is hier vergeven van de piepkleine steekmugjes die het liefst een eind aan hun leven willen maken door in je ogen te vliegen. Vier dagen later nog onder de bulten en jeuk. Dit keer maken we geen tent, maar een soort hoeslaken van ons zeil. Niet koud gehad. Toch weten een paar geitenhoeders ons verscholen plekje te vinden. Als wij de ogen open doen, staan ze sprakeloos toe te kijken.
Vandaag staat er een dubbele pas op het programma. Dat wordt weer zwaar. Zeker door de grote gedeeltes mul zand waaruit de weg bestaat. Het vordert gestaag, ik fiets een eind voorop en schrijf met een stok bemoedigende teksten in de weg voor Carolina die ik in de verte zie aankomen. Een korte tegenwindse afdaling brengt ons tussen de twee toppen in het dal. Ik heb erg veel last van mijn knie, dat zal wel overbelasting zijn. Het wil niet meer. Er staan hier veel nomadententen, dus weinig privacy op de "camping". Verderop weer twee valsblaffende honden. Mijn ontmoeting met de vorige was weinig positief, ik, als voormalig krantenjongen, was toch al een hondenhater, weet niet wat te doen. Gelukkig is Carolina wat heldhaftiger wat dit betreft en loopt rustig op het gevaar af. Er gebeurt niets! Er is een gebouw waar wegwerkers bivakeren en er is nog een kamertje vrij. Speciaal voor gasten lijkt het wel. Binnen de kortste keren staat de hele kamer vol nieuwsgierigen. We kunnen hun niet wegsturen, we zijn blij met hun gastvrijheid. Uiteindelijk liggen er drie in slaap gevallen vrouwen op onze kamer.
We hebben de kinderen vermaakt met liedjes, dansjes en spelletjes en gepraat met het damesgezelschap. Toen het aantal kinderen ter sprake kwam, rende een van de kinderen weg en kwam terug met...de pil van moeder. Hoe bestaat het, op zo'n afgelegen plek in Tibet. Nou ja, we kennen natuurlijk de Chinese bevolkingspolitiek.
Als we op de tweede pas staan, is het uitzicht zeer beperkt. We kunnen net onder de bewolking doorkijken, maar de besneeuwde giganten die we gisteren zagen zijn verscholen in de wolken. Dan weer een grote afdaling. Het is koud, het waait hard en we krijgen weer een hond achter ons aan. Ook nog een paar kleine gemene beklimminkjes tussendoor, waarvoor we van de fiets af moesten zelfs. Gepauzeerd op een ultiem plekje met magnifiek uitzicht. Kleine beekjes rondom, die zich een weg banen door uitgestrekte rotstuinen en grillige besneeuwde toppen in de verte. We dalen al zo ver dat er zelfs al weer kleine stekelige struikjes groeien, sleutelbloemen bloeien en alles begint weer weelderig groen te worden. Wat een verademing na al die weken bruin. Dan komen we aan in Nyalam. We moeten onze paspoorten laten zien en dan mogen we onder de ketting doorkruipen. We vinden een luxe goedkoop hotel. Zelfs met KTV, schrijftafel en spiegel, dat is schrikken! We hebben zelfs stroom, maar geen water. We ontmoeten een Ier en Japanner die vanaf Nepal omhoog zijn gefietst. Ze zijn verzot op onze informatie en we geven hun alles wat wij niet meer nodig hebben. Wij hoeven nog maar dertig kilometer te gaan tot aan de Nepalese grens. Wij krijgen van hun een handvol rotjes, om de akelige honden bij kilometerpaal zus en zoveel van het lijf te houden. We moeten in hoogte twee kilometer dalen, van 3600 naar 1600 meter. In Nepal is het regenseizoen in alle hevigheid losgebarsten. Onze "tent" knippen we in twee stukken om de bagage waterdicht in te verpakken. Het heeft de afgelopen nacht flink geregend. Er is veel los gesteente van de bergen op de weg gespoeld. Het wordt groener en groener en steeds natter. Op een gegeven moment is er een stuk weg weggezakt. Gelukkig kunnen wij met onze fietsen nog net langs het randje oversteken. Na ongeveer vijf kilometer verwachtten we de woeste honden, maar in plaats daarvan stuitten we op de volgende hindernis. Een twee meter hoge bult stenen blokkeert de gehele weg over een lengte van vijftig meter, daarna nog vijftig meter zachte blubber, waar we een te haastige Engelsman tot aan zijn heupen in zien staan. Angstvallig zijn gitaar de lucht in houdend. Met platte stenen en takken een min of meer begaanbaar pad gemaakt en zo komen wij slechts tot aan onze knieen bemodderd aan de andere kant. Wat zijn we blij met de fiets, al het andere verkeer staat uren, zo niet dagen te wachten. In een beekje de broeken, schoenen en fietsen schoon staan spoelen. Hadden we wekenlang geen stromend regenwater gezien, hier komt het van alle kanten de bergen af sijpelen. We fietsen langs druipende overhangende rotsen door, langs prachtige watervallen en soms gebruikt de rivier de weg als bedding, vele losse steentjes met zich meenemend. Soms was de weg zo stijl omlaag, dat we moesten lopen. Onze remmen konden het neit aan. En zo kostte die dertig kilometer ons toch nog vijf uur ploeteren. Bij de Chinese grensplaats Zhangmu hebben we ons onbeperkt volgegeten met Dal Baht, het Nepalese volksvoedsel. Wegens gebrek aan een bank de rest van het Chinese geld zwart omgezet in Nepalese roepies. Na de grens komt nog negen kilometer niemandsland. En toen stonden we opeens op de Friendship Bridge waar we onze overwinning en vriendschap vieren met twee blikjes papayasap. De Nepalese immigration office is gehuisvest in een schuurtje, zonder licht, volle jutezakken tegen de wanden aangestapeld. Een klein bureautje met een ongeuniformeerde functionaris die onze visa in orde moet maken, terwijl wij plaatsnemen op twee gammele stoelen. Dan fietsen we een nat en warm Nepal binnen. Nog ongeveer honderd kilometer naar Kathmandu, ons einddoel. Op vier kilometer van deze stad zak ik opeens op een gewone verharde weg door mijn achterwiel. Veel spaken gebroken en een enorme slag in het wiel. De fiets wist ook op het juiste moment dat het afgelopen was.